Woonplaats: Sassenheim
Stijl: 1e Dan JKF Wadokai

School: Universiteit van Leiden - Studie Japans

 

Ik was vroeger een jochie wiens gezondheid hem op z’n zachtst gezegd nou niet echt mee zat. Na diverse complicaties en een aantal zware operaties wegens een vroeggeboorte, waarbij er onder andere een drain in mijn hoofd geplaatst werd, heb ik als jongetje altijd een redelijk zwak gestel gehad. Het was altijd uitkijken dat dingen niet te hard of te snel gingen en er moest vooral geen conditie of risico bij komen kijken, want dan zat ik als eerste aan de kant te kijken hoe de rest bezig was.

In het najaar van 1997 bereikte dat een dieptepunt toen er bij mij op mijn veertiende kanker werd geconstateerd. Na een operatie om de tumor te verwijderen, bleek het al door mijn halve lichaam te zijn uitgezaaid. Na een half jaar, waarin ik vier chemo-therapieën en een grote, zware buikoperatie voor mijn kiezen kreeg, bleek ik volgens de doktoren schoon te zijn. In de tussentijd was uit onderzoek gebleken dat mijn drain ook al jaren niet meer werkte, waarmee ik dus feitelijk voor het eerst een lichaam had waarmee ik kon doen wat ik wilde. Maar waar begin je dan in vredesnaam?

Ik was bezig diverse sporten te overdenken die ik zou kunnen gaan doen, want ik wilde koste wat kost met een sport beginnen, toen ik in najaar ’98 op een middag bij stom toeval in de schuur tussen de oude kranten iets vond. Een foldertje van één of andere karateschool in de buurt die toen net een jaartje bezig was in Sassenheim. Het leek me wel wat en na wat overleg thuis besloot ik gewoon eens een kijkje te gaan nemen; dan zou ik wel zien wat ik ervan zou vinden. Ik had wel eens wat op tv gezien wat vechten betreft, maar echt een idee van wat karate nou eigenlijk was, had ik totaal niet. Daar maakte ik kennis met sensei Arnold Keizer, mijn eerste en tot nu toe nog steeds enige leraar. Na enkele keren aan de kant te hebben zitten kijken en toen na een paar keer mee doen, was ik om en werd lid van sportschool Tenno. Daarmee begon mijn training in Wado ryu karate.

Het begon gewoon met één keer per week wat bewegen en proberen om alles zo goed mogelijk te onthouden en na te doen (het was allemaal nog nieuw en een beetje vreemd en eng), maar naarmate de tijd vorderde, kwam ik steeds vaker en regelmatiger trainen, tot ik standaard de maximale twee keer per week aanwezig was. Ik kwam langzaamaan door de examens heen en begon er steeds meer lol in te krijgen. Toen trainden we nog karate vanuit de benadering van Wado ryu karate als sport; een perspectief dat langzaam is gaan verschuiven.

Een eerste verandering voor mij persoonlijk kwam op een moment toen sensei Arnold een aantal van ons vroeg om eens bij de kindergroepen te komen helpen met de les. Dat deed ik en uiteindelijk ben ik daar blijven hangen. Ik was nu niet alleen meer bezig met zelf trainen en leren in de volwassenengroep, maar ik begon dus ook met het trainen van anderen, toen alleen nog kinderen. En dat zit wel even anders in elkaar.

Als je zelf getraind wordt, hoef je alleen maar de instructies op te volgen en je best te doen alles zo goed als je kunt uit te voeren. Wanneer je bij het lesgeven je kennis door gaat geven, moet je ineens goed gaan nadenken over wat je nou eigenlijk aan het doen bent. Waarom zitten technieken op een bepaalde manier in elkaar? Hoe kun je een techniek op meerdere manieren toepasbaar maken? Waar komen die technieken eigenlijk vandaan en waarom zijn ze op die manier geconstrueerd?  Hoe vul je in hemelsnaam de tijd van een les? En vooral: hoe leg je de stof zo aan een ander uit dat diegene je begrijpt en aan de slag kan met wat je te vertellen hebt? Om dit goed te kunnen doen, moet je betrokkenheid bij wat je doet ook ineens een stuk groter worden: je hebt niet alleen meer de verantwoording voor je eigen leerproces, maar ook voor dat van anderen. Het uitleggen aan en trainen van anderen heeft me naar mijn idee ook enorm geholpen in het ontwikkelen van mijn eigen begrip van Wado. Omdat je het op de juiste wijze moet doorgeven, word je gedwongen goed na te denken over wat je zelf doet, wat weer een zeer positieve weerslag heeft op je eigen ontwikkeling als karateka.

Toen kwam de grootste verandering: het radicaal vergroten van de kennis die binnen de school aanwezig was. Arnold was al een tijd op zoek naar een ander soort Wado, omdat hij allang niet meer tevreden was met de in Nederland aanwezige kennis over Wado en de sportbenadering die men er in Nederland aan geeft. Zo kwamen we in 2004 bij Bob Nash terecht, toen een 6e dan Wado uit Amerika met stevige wortels in Japan. Toen Arnold na regelmatig e-mailcontact en een aantal ontmoetingen en trainingen met sensei Nash besloot met hem in zee te gaan, werden er langzamerhand technische veranderingen binnen de school zichtbaar. Er werden steeds meer en meer details aan de technieken toegevoegd, er werden meer achtergronden bij de verschillende onderdelen duidelijk gemaakt en de eisen voor de manier waarop veel dingen werden uitgevoerd, werden drastisch verhoogd om te kunnen voldoen aan de maatstaven van Japan. Al met al is de kwaliteit binnen de school, doordat we een connectie met Japan hebben gezocht en gevonden, enorm omhoog gegaan.

In december 2004 kreeg ik ineens een enorme verrassing voor m’n kiezen. Tijdens een kerstfeest dat we met de school hadden, werden Toon Beugelsdijk en ikzelf vanwege onze inzet tijdens de trainingen en wat we tot dan toe allemaal voor de school hadden gedaan, door Arnold officieel benoemd tot Sempai binnen sportschool Tenno. ‘Sempai’ is ongeveer te vertalen als ‘oudere leerling’ of ‘ouderejaars’ en houdt zo’n beetje in dat je officieel de assistent van de leraar bent geworden. Daarmee kregen we formeel de taak het Wado ryu karate uit te dragen en te assisteren in de lessen om “zodoende mede zorg te dragen voor de ontwikkeling van lager gegradueerden in de breedste zin.” Zoals je ziet een grote verantwoordelijkheid en, zoals ik het beschouw, een enorme eer. Het feit dat je mede verantwoordelijk wordt gemaakt voor de ontwikkeling van je medeleerlingen is toch een teken van het vertrouwen van de sensei in jou dat je goed bezig bent en een positieve rol zou kunnen spelen in de ontwikkeling van je medeleerlingen. Erg leuk en iets waar ik ook zeker trots op ben.

Helaas hadden de geweldig kwalitatieve ontwikkelingen binnen de school ook een keerzijde: het heeft enorm veel leden gekost. Sinds we de sportbenadering hebben verlaten en ervoor hebben gekozen om Wado echt als martial art te beoefenen, konden veel mensen, die enkel wilden sporten, hun draai niet meer vinden en zijn weggegaan.

Enorm zonde, als je het mij vraagt. Martial art kent namelijk een ongelooflijke diepte waarin heel veel te leren valt, veel meer dan bij een gewone sportbeoefening. Als je daarvan wegloopt, loop je zo’n enorme rijkdom aan kennis en ontwikkeling mis waar je de rest van je leven nog van kunt leren; echt een enorme uitdaging op zowel intellectueel als fysiek niveau. Persoonlijk zou ik erg jammer vinden om zoiets de rug toe te keren. Ik ben er zelfs Talen en Culturen van Japan door gaan studeren aan de universiteit van Leiden, kun je nagaan. Veel mensen willen echter gewoon wat sporten en daar is natuurlijk ook genoeg voor te zeggen. Sport houdt je lichaam gezond en het is een sociale bezigheid waar relatief niet zoveel tijd in hoeft te gaan zitten; iets wat met martial art wel anders is. Hoe verder je komt in martial art, hoe meer tijd je er in moet gaan steken om progressie te kunnen blijven maken, wat dus betekent dat je andere dingen op zal moeten offeren. Veel mensen hebben die tijd of offers er nou eenmaal niet voor over en dat is volledig te begrijpen. Ik wens ze dan ook alle succes en plezier met wat ze zijn gaan doen na hun vertrek.

Sinds ons contact met sensei Nash is het karate binnen de school dus behoorlijk veranderd. Als één van de “oude rotten,” zoals Arnold dat noemt, heb ik deze verandering volledig meegemaakt en makkelijk was het zeker niet. Vooral niet toen we moesten gaan trainen voor het examen voor eerste dan. De eisen van de Japanners zijn wel even wat strenger dan hier en dat hebben we geweten. Om daaraan te kunnen voldoen, zijn we naast de gebruikelijke twee trainingen per week nog twee avonden erbij gaan trainen, waardoor we dus al vier hele avonden per week van huis waren; niet altijd even leuk voor thuis. Zelf was ik ook nog zo gek om in de laatste maanden voor het examen drie ochtenden per week in de dojo van de universiteit te gaan trainen als aanvulling. Na al dat harde werken bleek na het eerste examen dat er toch nog veel veranderd moest worden om te kunnen slagen, dus konden we nog een paar maanden op dezelfde voet zo doorgaan. Omdat we zó vaak bezig waren, kwam het regelmatig voor dat sommigen van ons, ik soms ook, er gewoon geen zin meer in hadden, maar door de groep en door de motivatie van Arnold word je er dan toch doorheen gesleept. In oktober 2007 mochten we het na een trainingsweekend in Heidelberg nog een keer proberen. Dan heb je al een heel weekend constant trainen achter de rug en moet je dus op zondagavond, zonder avondeten, nog een paar uur door. Maar toen de uitslag kwam, wisten we weer waar we het voor deden: geslaagd! Makkelijk was het absoluut niet, al die uren trainen en zweten; het waard: dát zeker wel!

Eenmaal weer thuis in de eigen dojo ging het echter weer op de normale voet verder en wist je meteen weer wat je plaats was. Veel mensen denken namelijk dat je klaar bent als je de zwarte band hebt gehaald, maar het tegendeel is waar: je bent nog maar net begonnen. Een zwarte band wil zeggen dat je de basis onder de knie hebt, het echte werk gaat daarna pas beginnen. Continu je techniek bijschaven en opvijzelen is een proces waar geen einde aan komt. Telkens weer vanaf het begin beginnen om uiteindelijk een stapje verder uit te kunnen komen. Het belangrijkste bij het beoefenen van karate is niet dat je je doel zo snel mogelijk bereikt, maar dat je ermee bezig bent: het op weg zijn is van een veel groter belang dat het aankomen op de bestemming. Ik ben er nog steeds erg trots op dat ik m’n eerste dan gehaald heb, laat daar geen misverstand over bestaan, maar het leukste aan karate is het trainen en leren zelf, niet het halen van banden. Vooraf lijkt dat altijd zo, maar als je eenmaal zo ver bent, besef je dat het waar is wat ze zeggen: een band is er goed voor om je broek omhoog te houden en niks meer. Het plezier en de interesse zijn er echter geen spat minder om geworden. Ik begin het steeds leuker te vinden en ik ben niet de enige, dat weet ik zeker!

Al met al is er dus erg veel te doen binnen de school. Serieus trainen gaat binnen Budo Academy Tenno echter nog altijd hand in hand met een gezellige omgang met elkaar en veel plezier. Mocht je nieuwsgierig zijn, kom dan gewoon een keer kijken of, nog beter, meedoen. Ik heb dat ook ooit gedaan als jochie en heb er nog geen dag spijt van gehad.

Martijn